Fragmenten uit Zielenstroom, de eerste novelle van Johan Peters

Mijn novelle Zielenstroom is 7 september 2026 gepubliceerd. Onder de boekcover lees je per hoofdstuk alvast een korte passage. In totaal zijn er 13 hoofdstukken. 
 
 
Deel 1: Johns laatste weken op aarde
 
Hoofdstuk 1 22 juni 2026: John neemt zijn intrek in hospice De Overgang 
 
John Verbruggen checkt uit in het hotel waar hij op vrijdag 19 juni was ingecheckt. Die vrijdag had hij de sleutels van zijn huurwoning in Rotterdam-Zuid ingeleverd. Om het weekend te overbruggen, had hij voor de laatste keer in zijn leven een hotelkamer geboekt. In het hotel waar hij tientallen keren overnachtte ten tijde dat hij in Antwerpen woonde en hij langer dan één dag in zijn geboortestad moest verblijven. Allemaal voltooid verleden tijd. Een ambulancier meldt zich bij de receptie voor John. John neemt vandaag zijn intrek in hospice De Overgang in Rotterdam Zevenkamp, zijn laatste bestemming op aarde.
 
‘Goedemorgen mijnheer Verbruggen. Ik ben Joyce Hulskamp, coördinator van hospice De Overgang. Ik maak u vandaag wegwijs in uw tijdelijke onderkomen en ook voor de rest van uw verblijf geldt dat u bij mij terechtkunt met al uw vragen. Maar eerst: spreek ik u aan met u of mag ik John zeggen?’
 
‘Zeg vooral gewoon John.’
 
‘Prima John, Ik heb je dossier voor me liggen. Ik loop het vlug met je door. Mocht er iets niet kloppen, onderbreek me om het te corrigeren. John Verbruggen, 69, geboren te Rotterdam. Voor pensionering werkzaam geweest in de communicatie.’
 
‘Bij tijd en wijle. Vooral ook veel werkloos geweest.’
 
‘Maar toch, je hebt aardig wat gedaan ondanks je beperking. (John denkt daar gaan we weer. Doorzetter hier, knap van je daar) Ik zie dat je op jonge leeftijd een hersenbloeding hebt gehad.’
 
‘Ja, daar is de beperking uit voortgekomen. Decennia lang mee geleefd zonder al te veel problemen. De laatste jaren gaat het echter een pak moeizamer. En daar zijn de hartproblemen bovenop gekomen.’ 
 
Hoofdstuk 2 25 juni 2026: filosoferen met Andrea, evolutie en muziek 
 
John zit in de tuin, in de schaduw. Het is snikheet vandaag. Ook in kamer 5, ondanks de aanwezigheid van airco. Hij is inmiddels gewend aan het levensritme binnen hospice De Overgang. Dat ligt laag, wat niet verwondert. Het contrast met zijn leven toen hij nog geen hartklachten had, kan niet groter zijn. John hield altijd een moordend tempo aan. Hij wilde zoveel mogelijk realiseren in één enkele dag. Getreuzel, daar kon hij niet tegen. En zie nu: de dagen glijden langzaam voorbij. Zijn leven is als een nachtkaars aan het uitgaan. Daarentegen blijft John mentaal de gevatte persoon die hij ooit was. Zijn intellect heeft hij tot nu toe ten volle behouden.
 
‘Dag John, mag ik even bij je komen zitten? Ik ben Andrea, de geestelijk verzorger.’
 
‘Ah, de filosofe van het huis. Ik had al tegen Joyce gezegd dat ik graag een boom met je wil opzetten over het leven.’
 
‘Een boom groeit niet zo snel John. Eer die boom tot volle wasdom is gekomen … Daar gaan we vanmiddag geen tijd voor hebben, vrees ik. Maar we kunnen alvast de kiemen ervoor leggen.’
 
Hoofdstuk 3 30 juni 2026:  filosoferen met Andrea, de ziel
 
Het is niet iedere dag mooi weer. Als er mussen zouden rondvliegen in Zevenkamp, de mus lijkt wel uitgestorven in Rotterdam, zouden ze de voorbije dagen letterlijk dood van het dak zijn gevallen. Vandaag is het koeler en merendeels bewolkt. John zit in de woonkamer van het hospice. Joyce loopt rond en informeert bij iedere aanwezige bewoner of alles naar wens is. Twee bewoners worden beziggehouden door de vrijwilligers. John de Einzelgänger leest op zijn gemak een boek uit de boekenkast van het hospice. Gedurende zijn leven had hij een gigantische boekenverzameling aangelegd. Die zijn allemaal naar zijn vriend Steven in Antwerpen gegaan, eveneens een fervent lezer. Andrea verschijnt in de woonkamer, ziet dat John alleen zit en neemt naast hem plaats.
 
‘Ik stoor hopelijk niet in een goed boek? Als je wilt, kunnen we vandaag verder werken aan onze boom en ik heb naar je muziek geluisterd.’
 
‘Vertel daar eerst maar over. Wat vond je ervan? Je kijkt niet echt enthousiast.’ 
 
Hoofdstuk 4 3 juli 2026: telefoon uit Antwerpen 
 
(...)
 
Die vrijdag gaat rond 14:00 uur de telefoon. John heeft zijn hele leven een gruwelijke hekel gehad aan het apparaat an sich. Vaak verstaat hij degene die belt niet goed of andersom. Mobiele telefoons zijn bovendien lastig te hanteren met slechts één bruikbare hand. Over die beperkte handfunctie maakt John al zijn hele leven dezelfde grap: sommige mensen hebben twee linkerhanden, ik heb er maar één. Er zijn weinig mensen die zijn telefoonnummer hebben. Als iemand hem per se wil spreken, mailen ze maar.
 
‘Hé John, Steven hier. Hoe gaat het in het hospice? Je weet dat ik met alle liefde een keer langs wil komen, alleen ge zit zo ver van Antwerpen se.’
 
‘Doe geen moeite Steven. Leuk dat je belt op je vrije dag. Hoe is het met jou en het gezin?’
 
Hoofdstuk 5 17 juli 2026: laatste contact met Julia 
 
Met de nodige spanning opent John zijn persoonlijke mailbox. Vandaag is Julia jarig. Van alle vrouwen die hij in zijn leven heeft gekend, is zij één van de meest dierbaren gebleven. Traditiegetrouw heeft hij haar een digitale verjaardagskaart gestuurd. Vlak voordat hij in De Overgang introk, had hij haar bovendien op de hoogte gebracht dat het hospice zijn laatste verblijfplaats zou zijn. Hoe snel zou ze haar verjaardagskaart bekijken?
 
Om 08:30 uur ontvangt hij een mail dat ze de kaart heeft bekeken. Zoals altijd stelt hem dat gerust. Julia is niet zo van het mails beantwoorden. Hij niet van het bellen en sowieso respecteert hij haar privacy. Ze heeft haar eigen leven waarin hij goed beschouwt al meer dan een decennium geen enkele rol van betekenis meer speelt. Veel hoort hij daarom niet van haar en hij moet altijd hopen dat alles goed gaat.
 
Om 09:00 uur verschijnt een nieuwe mail in zijn mailbox. Tot zijn grote verrassing ziet hij dat de mail van Julia afkomstig is. 
 
Hoofdstuk 6 4 augustus 2026: exit
 
De voorbije week ging het slecht met John. Een beroerte maakte dat hij niet meer zelfstandig kon opstaan. Hij moest bij alles worden geholpen, ademde zwaar. Het was duidelijk dat zijn levenskwaliteit met de dag verder zou verslechteren. Jaren geleden had hij op schrift gezet dat hij euthanasie wenst in het geval hij in een zodanige situatie verkeert dat de dood onafwendbaar is. Ook als hij op dat moment niet meer in staat zou zijn om die euthanasiewens te uiten. Het moment voor euthanasie is vandaag aangebroken.
 
Joyce, Andrea en de arts van het hospice overleggen over het gepaste moment. 
 
Hoofdstuk 7 10 augustus 2026: de uitvaart 
 
Na het uittreden van zijn ziel is deze de hele tijd in de buurt van het lichaam van John gebleven. Ze laat zich meevoeren op de luchtstromen die rondom het lichaam aanwezig zijn. De ziel van John maakte zo live mee dat het lichaam van het hospice naar het mortuarium van het uitvaartcentrum ging. Voor de ziel waren het saaie, eenzame dagen in het mortuarium. Vandaag staat de kist met het lichaam van John in de aula van het uitvaartcentrum opgesteld. Na de uitvaartceremonie wordt het lichaam gecremeerd. De ziel van John kijkt toe hoe de uitvaart verloopt.
 
De bezoekers voor John zijn uitvaart druppelen binnen. Zijn ziel is verrast door de hoge opkomst. Andrea heeft, de aanwijzingen van John volgend, zijn overlijden dezelfde dag bekendgemaakt aan de personen die op zijn lijstje stonden. Ook heeft zij het overlijden meegedeeld op de sociale media waarop hij actief was. Allemaal ruim op tijd om de nodige mensen in staat te stellen de laatste eer aan John te komen bewijzen. John zijn ziel ziet oud-collega’s uit Rotterdam, enkele oud klasgenoten van lagere en middelbare school, de nicht met wie John als een van de weinige overgebleven familie nog contact had. Niemand uit Antwerpen. Dat viel ook niet te verwachten. Andrea is zoals toegezegd aanwezig namens het hospice en neemt op vraag van de uitvaartonderneming het woord voor een korte toespraak. John zijn ziel luistert aandachtig. 
 
Deel 2 
 
Waar komt de ziel van John terecht? De omgeving is aan mijn fantasie ontsproten. Het is wel zo realistisch mogelijk gesitueerd aan de hand van natuurkundige wetten. De ziel van John spreekt er met zielen uit het verleden en zelfs uit de (voor ons nog) toekomst. Deze laatste ziel is uiteraard verzonnen. De overige zielen die John spreekt, hebben allen ooit als mens op aarde rondgelopen.
 
Hoofdstuk 8: Maria Margharete Winckelmann-Kirch introduceert John zijn ziel in het rijk der zielen 
 
John zijn ziel stijgt en stijgt. De ziel is zich daarvan bewust en bemerkt dat nog veel meer zielen gelijktijdig de aarde verlaten. De ziel van John is toeschouwer van een wonderlijk schouwspel. Iedere ziel krijgt tijdens het stijgen een zichtbaar uiterlijk. John zijn ziel neemt aan dat het uiterlijk een getrouwe weergave is van hoe de overledene er bij leven moet hebben uitgezien. De ziel van John ondergaat dezelfde transformatie. Ergens logisch. Hoe moeten anderen je anders herkennen in de hemel? Als ze tenminste daarnaartoe onderweg zijn. Het stijgen komt plots tot stilstand. De overige zielen stuiven alle kanten op. John zijn ziel maakt plaats rust. Voor hem ziet hij het uiterlijk van een vrouw verschijnen.
 
‘Hallo, ik ben de ziel van Maria Margharete Winckelmann-Kirch. Welkom in het rijk der zielen.’
 
‘Hallo. Is dit de hemel? Ik had toch minstens een ontvangst door Petrus aan een poort verwacht. Of ontvangt hij alleen beroemdheden?’
 
‘Als alle zielen tegelijkertijd door één en dezelfde poort naar binnen zouden moeten met continu maar één en dezelfde poortwachter aan de poort … Hoe had je je dat praktisch voorgesteld? Bovendien heb ik Petrus nog nooit gezien. Evenmin als Jezus, God of welke profeet dan ook. En ik verblijf hier toch al een flinke tijd.’
 
‘En dat is hoelang?’
 
‘Maria stierf in het jaar 1720.’
 
Hoofdstuk 9: de ziel van Elvis informeert naar zijn huidige roem
 
(...)
 
De ziel van Elvis heeft er zin in en geeft een show van enkele van zijn grootste hits. Veel zielen kijken en luisteren verbaasd. Wie voor 1954 is gestorven, heeft de carrière van Elvis en de start van de rock ’n roll immers nooit meegemaakt. Wanneer de ziel van Elvis na zijn optreden verder wil zweven, duikt de ziel van John voor hem op.
 
‘Goede show, doe je dat vaker?’
 
‘Eindelijk weer iemand die mijn repertoire kent. Ik heb geen idee hoelang ik hier al rondzweef, maar mijn publiek kijkt geregeld alsof ze de ballen snappen van mijn songs. Nummers als Blue Suede Shoes en Jailhouse Rock breng ik daarom niet eens meer. In wat voor jaar leven we tegenwoordig?’ ‘
 
Toen ik stierf, was het 2026. Ik heb evenmin een idee hoelang ik sindsdien hier ben. Maar je hebt mijn vraag nog niet beantwoord: doe je dit vaker? Toen ik hier aankwam, werd mij verteld dat zielen die bij leven actief waren als wetenschapper of kunstenaar dit in het rijk der zielen ook regelmatig laten blijken. Jij bent de eerste die ik op deze manier tegenkom.’
 
‘Wat is vaak? Tijd bestaat hier niet immers. Ik zweef rond, ik licht nieuwkomers in hoe het hier in zijn werk gaat en bij gelegenheid begin ik te zingen. Dan kan ik mij kennelijk niet inhouden. Had jij bij leven verstand van muziek?’
 
‘Goh, verstand is een groot woord. Ik luisterde veel naar muziek.’
 
‘Ik vraag het, omdat ik sporadisch een zanger of zangeres van na mijn sterfjaar tegenkom en mij dan afvraag wat er in godsnaam in de muziekindustrie is gebeurd.’
 
‘Hoe bedoel je?’ 
 
Hoofdstuk 10: reflectie
 
Daar zweeft de ziel van John. In het rijk der zielen. Als zijn ziel niet bezig is met nieuwe zielen te verwelkomen, is ze constant bezig met reflecteren. Duidelijk is dat alle aardse theorieën over God en leven na de dood in de prullenbak kunnen. Een paradijs is het rijk der zielen niet bepaald. Er staat continu een krachtige wind die de zielen doet voortbewegen. Is het een straalstroom op grotere hoogte? Bevindt het rijk der zielen zich in de ruimte of ergens binnen de atmosfeer van de aarde? De atmosfeer reikt officieel tot 100 kilometer hoogte. Wat wetenschappelijk als de ruimte wordt aangeduid, begint echter pas vanaf zo’n 1.000 kilometer hoogte. Hoe hoger men komt hoe kouder het daar moet zijn. De zielen registreren echter geen koude of warmte, gevoelloos als ze zijn. Doordat de zielen oplichten in een gouden cirkel, zien ze elkaar. Verder valt er niets te zien. Er groeit niets, er is geen kleurenpracht. Het is bijna pikdonker. God is niet aan het dj’en, wat Maxi Jazz van Faithless ook mocht beweren bij zijn leven. De ziel denkt niet alleen, ze draagt overduidelijk alle herinneringen aan het aardse leven dat de persoon heeft gekend met zich mee. John zijn ziel herinnert zich precies de dingen die bij leven in het langetermijngeheugen van John waren opgeslagen, tot pincodes en wachtwoorden aan toe. Daar heeft Frau Winckelmann dan weer geen last van.
 
Hoofdstuk 11: uitklaren met Amanda (Uitklaren? Geen paniek, John heeft de Vlaamse betekenis van dit woord in hoofdstuk 3 al uitgelegd)
 
De ziel van John zweeft onverminderd voort. Voor haar, achter haar, naast haar zweven ontelbare andere zielen. Probeer daar maar eens een bekende tussen te vinden. Een speld zoeken in een hooiberg is een veel gemakkelijker opdracht. Eigenlijk heeft John zijn ziel de moed allang opgegeven snel, wat is snel in deze, een overleden familielid, vriend of bekende terug te zien in het rijk der zielen. Ze zijn er. Als zij op zoek zouden zijn naar John zijn ziel, kampen ze met hetzelfde probleem. Plots meent de ziel van John toch een bekend profiel te ontwaren. Is dat niet …?
 
‘Amanda?’
 
De ziel van Amanda kijkt in de richting van John zijn ziel, moet even goed nadenken wie ze voor zich heeft en zegt dan verrast: ’John? Dat ik van iedereen die ik ooit in mijn leven heb gekend net jou moet treffen. Je bent pas de eerste persoon uit mijn intieme kring die ik tref sinds ik hier ben aangekomen. En dat is een tijd geleden.’
 
‘In 2008.’
 
‘Hoe weet jij dat? Je hebt het niet van mij. (de ziel van Amanda lacht) In welk jaar ben jij gestorven?’
 
‘2026. Ik heb geen idee hoelang ik hier reeds rondzweef. Naar mijn gevoel een eeuwigheid. Nu ja, het is ook voor de eeuwigheid. En hoe ik het weet … Heb je even?’ (de ziel van John remt af. Ook Amanda haar ziel komt tot stilstand. Ze zoeken een plekje waar ze andere rondzwevende zielen niet hinderen. Zowaar een hele opgave)
 
‘Vertel maar. Ik ben reuze benieuwd.’
 
Hoofdstuk 12: Copernicus bijgepraat
 
(...)
 
‘Weten dat we weten wat we weten en weten dat we weten wat we niet weten, dat is ware kennis!’ Wie is dat? John zijn ziel remt af en kijkt in de richting van waar de stem vandaan komt. De ziel van John ziet het uiterlijk van de Poolse astronoom Nicolaas Copernicus. Ook van hem had John bij leven toevallig zijn ware gelaat een keer gezien. Daarna had John zich enigszins verdiept in de man en zijn leven. De ziel van John trekt kennelijk astronomen aan in het rijk der zielen. Ze besluit een gesprek aan te gaan met de ziel van Copernicus.
 
‘Dag Nicolaas.’
 
‘Je kent mij? Ik heb jou nooit eerder gezien.’
 
‘Ik jou ook niet, maar je uitspraak maakte mij nieuwsgierig en toen ik keek, herkende ik je gezicht van een reconstructie die ik zag op internet.’
 
‘Internet? Wat is dat?’
 
‘Sorry. Ik leefde vijf eeuwen later dan jij. Er was in die tussentijd veel veranderd op aarde qua technologische uitvindingen. Internet is een soort machine waarmee je met de hele wereld contact kunt leggen en waarop je afbeeldingen kunt bekijken.’
 
‘Werkelijk? En ik ben daar ook op terug te vinden? Dan is mijn faam toch groter dan ik bij leven vermoedde. Deed jij aan astronomie?’
 
Hoofdstuk 13: verhaal zonder einde
 
'Hoi, ik ben de ziel van John. Welkom in het rijk der zielen. Wat is jouw naam?’
 
‘Rijk der zielen? Ik ben Valeria.’
 
‘Uit Spanje?’
 
‘Ja, dat klopt.’
 
‘Ik zal je vraag beantwoorden. Ik weet niet of je gelovig was op aarde. Vergeet alles wat je bij leven hebt geleerd of geloofd over God en de hemel. Dit is de eindbestemming van iedereen die komt te overlijden. Het rijk der zielen, ergens in het zich tot in de oneindigheid uitdijende universum. Vooralsnog is er dus plek zat voor iedereen om hier rond te zweven. Dat is wat alle zielen doen. Rondzweven en nieuwkomers zoals jij wegwijs maken. Wat voor jaar was het dat je stierf?’
 
‘Het jaar 2100. Je houdt me toch niet voor de gek hè? Wil je beweren dat ik als mijn ziel tot in de lengte van dagen ergens in het universum rond zal zweven?'
 
‘Ja, dat zeg ik. Mag ik vragen wat je deed op aarde?’
 
‘Ik was CEO van een grote olijfoliefabriek in Jaén, Andalusië, de bakermat van de Spaanse olijfolie.’
 
Nieuwsgierig geworden naar het verdere verloop van de dialogen tussen John en Andrea? Naar het gesprek dat John voerde met Maria Margharete Winckelmann-Kirch bij aankomst in het rijk der zielen? Wat Elvis vindt van de hedendaagse muziek? Hoe John wist van het sterfjaar van Amanda? Wat John nog meer wist te vertellen wat Copernicus niet wist? Of Valeria bijdraaide in haar weerzin tegen een oneindig verblijf in het rijk der zielen? 
 
Je leest het in Zielenstroom, te bestellen via deze link